Een artikel in twee delen, winter 2025
Vanaf onze kindertijd identificeren we ons met onze ouders, zussen, broers of verwanten. We maken daarbij (veelal onbewust) keuzes ten aanzien van onze persoonlijke identiteit en onze rol binnen het gezin. De normen en waarden van de gemeenschap en de cultuur zijn daarbij van grote invloed. Identificatie gaat onder andere gepaard met nabootsen (van gedrag), wat ook wel mimesis (*) wordt genoemd. Het identificatieproces maakt belangrijk deel uit van onze persoonlijke ontwikkeling en de ontwikkeling van het ego. Gaandeweg ontstaat daaruit een soort profiel, dat we aan de buitenwereld tonen. Dit profiel wordt ook wel ‘persona’ (Latijns voor masker) genoemd.

Zoals je kunt lezen, speelt de invloed van de cultuur, waarin je opgroeit, een belangrijke rol bij het identificatie-proces. In dit eerste deel wil ik beschrijven hoe zich deze invloed doet gelden op het collectieve bewustzijn van de gemeenschap, alsook op het collectieve en persoonlijke onbewuste. Het is die dimensie, waar dromen verkeren en op ons wachten om gedroomd te worden. Indirect heeft een cultuur dus invloed op de inhoud van je dromen, maar ook op de manier waarop en de mate waarin er met dromen wordt omgegaan.
Vervolgens zal ik ingaan op het feit dat bewustwording over de eigen identiteit en de bijbehorende strategieën van belang kan zijn bij droomwerk. Transformatie van ingesleten patronen, die niet langer dienst doen, kan bevorderd worden door het nabootsen (mimesis) van een dier of tegenstander uit de droom. Men kan nog een stap verder gaan door zich te identificeren met andere personages of objecten in de droom. Kortom: mimesis en identificatie-technieken worden opnieuw aangewend om zich bewust te worden van bestaande conditioneringen en -indien gewenst- nieuwe sporen uit te zetten.
In sommige spirituele tradities zijn de discipelen zowel overdag als ’s nachts gericht op het beïnvloeden van de droom. Daarbij kunnen voorbeeldfiguren, zoals een wijze leraar, of een verlicht persoon gevisualiseerd worden en hun transcendente krachten worden aangesproken. In culturen, waar de term ‘natuurreligie’ van toepassing is en de traditie van voorouders nog sterk vervlochten is met het dagelijkse leven, is het vaak één persoon (een sjamaan, priesteres of druïde), die deze taken vervult door de rol van bemiddelaar in te nemen en tussen de werelden te reizen.

Hieronder schets ik twee contrasterende wereldbeelden:
Moderne wetenschap versus wijsheidstradities
De opkomst van moderne wetenschappelijke stromingen binnen het westerse denken heeft veel invloed gehad op onze cultuur. Het succes van de wetenschappen was mede te danken aan de technologische ontwikkelingen (van bijvoorbeeld meetinstrumenten) en de vele uitvindingen en ontdekkingen vanaf de tweede helft van de 19 eeuw. De nadruk kwam te liggen op de zichtbare, meetbare en controleerbare wereld. In zijn boek ‘De woorden en de dingen’ (1966) beschrijft Foucault (een toonaangevend filosoof, die leefde van 1926 tot 1984) de enorme invloed van de wetenschappelijke methode op een wereldbeeld, waarbij de mens als fundament van kennis de plaats van God heeft ingenomen.

In een materialistische en wetenschappelijk georiënteerde maatschappij is de identificatie met de persona, werk, materiële goederen en prestatie groter dan in een maatschappij, waar oeroude wijsheidstradities nog levend zijn en vervlochten met het dagelijkse leven. Bij die laatste ligt de nadruk meer op het spirituele, het immateriële en het oneindige. Ook is de ervaring van het goddelijke in de natuur en de verbinding met de aarde en haar plaats in de kosmos een vanzelfsprekend gegeven. Alles is met elkaar verbonden, we maken allen deel uit van het oneindige Mysterie. In sjamanistische tradities bestaat van oudsher de overtuiging dat alles een ziel heeft, dus ook de elementen, stenen of de regen. Hier spreekt men ook wel van animisme.
Twee soorten verlichting
Kant (1724-1804) heeft het moderne westerse denken sterk beïnvloed, met name door zijn visie op ‘verlichting’ en de verstandelijke vermogens van de mens (*). Volgens Kant was verlichting ‘het ontkomen van de mens aan de onmondigheid waaraan hij zelf schuldig is.’ Met onmondigheid bedoelde hij het onvermogen om je van je verstand te bedienen zonder de leiding van een ander. Het was volgens hem dan ook noodzakelijk dat men zelf leerde nadenken. (‘sapere aude!’).
Verlichting betekent in spirituele tradities echter heel wat anders: het betreft een perspectief dat voorbijgaat aan de ratio. Niet onmondigheid maar onwetendheid is hier de kern van het probleem. Het betreft de onwetendheid met betrekking tot het alomtegenwoordig bewustzijn, waar wij deel van uitmaken. Dit oneindig bewustzijn kent geen tijd en ruimte, iets wat voor een ego niet te bevatten is. Het ego is daarom gebonden en gehecht aan een beperkte vorm van bewustzijn, die door tijd en ruimte wordt bepaald. Dit wordt ook het gewoontebewustzijn genoemd. Zolang men gehecht blijft aan dit bewustzijn, blijft men onwetend ten aanzien van de potentie die zich buiten de grenzen van het gewoontebewustzijn bevindt. Men slaapt dan in wezen ook overdag. De dromen die hier ’s nachts uit voortvloeien kan men beter niet serieus nemen.
Het ego en de aap
Lao Tzu (een Chinees filosoof en mysticus, die vermoedelijk leefde in de periode rond 600-500 v.C.) wordt beschouwd als de grondlegger van het Taoïsme, een zeer oude wijsheidsleer. Hij vergeleek de staat van zijn -zoals hierboven beschreven- met een aap in de jungle: “Het ego is als een aap, die door de jungle springt: gefascineerd door de zintuigelijke wereld schiet het van het ene verlangen naar het volgende, van het ene conflict naar het volgende. Laat de aap los. Laat verlangens los. Laat conflicten los. Laat ideeën los. Blijf in het centrum en observeer.”
Onze westerse maatschappij is te vergelijken met de jungle, die in het citaat genoemd wordt. Het ego is gefascineerd door die jungle en schiet van de ene sensatie naar de andere. Lao Tzu verwijst hiermee naar het rad van lijden, dat ook wel samsara genoemd wordt. Dit betekent in cirkels ronddraaien, de cyclus van dood en wedergeboorte eindeloos herhalen, zolang men onder invloed blijft van begoocheling en karma. Onwetendheid is hier de oorzaak van, of anders gezegd: geïdentificeerd zijn met de aap, die zich eindeloos vermaakt in de jungle. Als LaoTzu zegt dat we conflicten en verlangens los moeten laten doelt hij op de identificatie met deze aap, wat je kunt vergelijken met de identificatie met de persona. Dromen die hieruit voortkomen en ik-gericht zijn, worden ook wel samsarische dromen genoemd. Samsarische dromen zijn dus manifestaties van de emoties, verlangens en angsten van het ego. Als we ze als leidraad zouden gebruiken, zouden we vast kunnen lopen, omdat we verstrikt kunnen raken in ons persoonlijke drama.
Toepassing in droomwerk
In de oude wijsheidstradities wordt er daarom bewust onderscheid gemaakt tussen samsarische dromen en dromen, die van een hogere orde zijn en/of het belang van de gemeenschap dienen. Zo kennen we bijv. in sjamanistische tradities de Grote dromen en in de Bön-traditie (Tibet’s oudste spirituele traditie) spreekt men van Helder Licht dromen.
Dat er echter prima met samsarische dromen gewerkt kan worden licht ik graag toe in deel 2. Ook zal ik andersoortige dromen en droomwerk-technieken, waarbij het proces van identificatie een rol speelt, bespreken.
* Mimesis is een oud Griekse term voor ‘nabootsing’. Ofschoon deze destijds bedoeld werd voor vormen van theater, kunst en literatuur werd het veel later ook toegepast voor andere vormen van nabootsing, zoals het nabootsen van gedrag.
* Uit: ‘Beantwortung der Frage: Was ist Aufklärung?’ (vertaald: Beantwoording van de vraag: Wat is Verlichting?), een essay, dat in 1784 door Immanuel Kant geschreven werd.
Dit artikel werd gepubliceerd in het Droomjournaal, 30e jaargang, nr.3, winter 2025.
Francisca te Brake, droomwerker, trainer, kunstenaar. www.shelter36.nl – www.pact23.com